Brahma uniek charisma

Beoordeling

De beoordeling van de Duitse Schoonheidspostduif in Nederland gaat de laatste jaren enigszins afwijken van wat in Duitsland gebruikelijk is.

Het is altijd zo geweest dat de vooraanstaande Nederlandse fokkers in dit ras hun dieren in Nederland en in Duitsland op de tentoonstellingen laten beoordelen. Nooit was er sprake van grote afwijkingen in de beoordeling, natuurlijk is er verschil in predikaat of puntental, dit is inherent aan het keursysteem. De betere duiven en zeker de toppers werden er echter altijd uitgehaald. Thans is het echter zo dat het meerdere malen voorkomt dat topdieren in Nederland niet meer herkend worden.

Oorzaak is waarschijnlijk dat de gemiddelde kwaliteit in Nederland de laatste jaren omhoog is gegaan, het wordt voor de keurmeester dus moeilijker. Niet om de beste aan te wijzen, veel lastiger is het om alles wat praktisch gelijkwaardig is, of er kort achter zit, de juiste beoordeling te geven. Er wordt dan gezocht naar mogelijkheden om het verschil in puntental te maken, daarbij worden dan wel eens verkeerde keuzes gemaakt.

 

Het komt bij hoogwaardige kwaliteit dus aan op de details die het verschil maken. Zeker voor de keurmeesters die het ras niet fokken of niet gefokt hebben is het moeilijk om met het juiste inzicht de details te beoordelen, die maar marginaal verschillen.

 

Dit artikel wil bijdragen aan het inzicht om dit ras in detail wat beter te leren kennen.

 

De totaalindruk is een duif met een korte en krachtige vorm, waarbij het wigvormige nagenoeg horizontaal gedragen lichaam volledig in harmonie aansluit op de overige lichaamsdelen, er ontstaat een elegant beeld met evenwichtige verhoudingen.

 

Van groot belang is dat de verhouding lengte en hoogte goed op elkaar afgestemd zijn.

 

                                

 

Type en stand

 

Volgens de standaard wordt gevraagd een korte en krachtige vorm, dit moet men zien in het totaalbeeld waarbij evenwichtige verhoudingen worden gevraagd, het totaalbeeld past als het ware in een denkbeeldige cirkel, de achterpartij kan dus niet overdreven kort zijn, net als dat te korte benen of een te lange hals afbreuk zal doen aan de juiste verhoudingen. Een wigvormig lichaam, van de schouder tot de rug iets afhellend en vanaf de slagpennen en de staart heel licht oplopend waardoor het lichaam nagenoeg horizontaal gedragen wordt.

 

                              

 

De borstbreedte- en diepte moeten ook een goede verhouding met het totaalbeeld hebben, de borst diepte is goed te beoordelen naar aanleiding van het getekende ideaalbeeld, ten aanzien van de borstbreedte wordt inzicht gevraagd om dit in de juiste verhouding te zien. Overdreven eisen hieraan worden zeker niet gesteld, de indruk bestaat dat in Nederland meer borstbreedte gevraagd wordt dan nodig is, de gewenste elegantie komt dan in het gedrang. Het kan ook te maken hebben met het feit dat bij de andere Schoonheidspostduivenrassen in Nederland, de normen anders liggen, ongemerkt wordt dit mogelijk meegenomen in de beoordeling.De stand van zaken bij de Duitse Schoonheidpostduif is op dit moment zo dat het overgrote deel van de duiven voldoet aan de gewenste borstbreedte. Waakzaamheid in deze blijft zeker geboden, de gevraagde elegantie zal eerder te smalle dan te brede borsten opleveren.

De term middelhoge stand in de standaard op zich is een rekbaar begrip, dit moet men zien in het perspectief van de Duitse Schoonheidspostduif en kan dus alleen beoordeeld worden in het totaalbeeld.

Wensen ten aanzien van het type en stand kunnen zijn: korter in achterpartij, borst voller en dieper, hogere stand.Fouten zijn te plompe, te lange, te grote of te kleine types, afhellende stand, te lage of te hoge stand.

 

 

Hals – en benen

 

Hals- en beenlengte zijn in het totaalbeeld gezien gelijk van lengte, de halslengte zou dus dan ook als middellang bestempeld kunnen worden.

De hals komt breed uit de schouders, trots opgericht, naar de kop toe elegant versmallend, eindigend in een geronde keeluitsnijding en zonder nekaanzet.

Wensen in de hals vragen een goed inzicht, grote waarde wordt gehecht aan de elegante versmalling vanuit de schouders (breed) naar de kop toe (smal).

Fouten zijn te kort, te dik, het al of niet aanwezig zijn van de ongewenste bagadettenknobbel wordt beoordeeld als de dieren in stelling staan. Niet gestelde dieren laten nogal eens een knik in de hals zien die ten onrechte als een bagadettenknobbel wordt gekenmerkt.

De beenstelling van voren gezien recht en niet te wijd uit elkaar, zijdelings gezien heel weinig naar achteren geknikt in het hielgewricht .

 

Kop

                       

  

Volgens de standaard breed boven de ogen, naar de snavelpunt wigvormig versmallend. Snavel en voorhoofd vormen een ononderbroken flauwe booglijn, met het hoogste punt boven het oog, die in een goede ronding in de hals overgaat.

De raskenmerken van de kop hebben zich dusdanig ontwikkeld dat het een constante factor is geworden. De begrippen kortgezicht, middengezicht en langgezicht kennen we nog steeds, het is nu echter zo dat het middengezicht de voorkeur heeft en te kort (meer lengte in voorkop) en te lang als wens wordt genoteerd. Verdere wensen die zich manifesteren ten aanzien van de kopbelijning bij de betere categorie duiven beperken zich tot iets meer schedelhoogte dan wel een iets beter afgeronde achterkop belijning, waarbij de verschillen minimaal kunnen zijn.

Het spreekt dan voor zich dat kneep en voorhoofddruk absoluut niet meer getolereerd worden en tot een aanzienlijke puntenaftrek leiden. De kneep overigens niet te verwarren met een zijdelings iets uitstaande wrat.

 

                  

                           Volle keel, wratdruk,                               Snaveldruk, vlak voor- en achterhoofd                                                    voorhoofddruk, nekaanzet.                      oograndbevedering moet aansluiten.

                            

                    

               Ideaal                               Kneep                          Smal, evenwijdig                  Voorkop smal 

 

 

Snavel

 

Er wordt gevraagd een krachtige, middellange, gesloten, stompe snavel. De snavellijn vanaf de snavelhoek voor tweederde recht, het voorste deel licht gebogen. De denkbeeldige naar achteren doorgetrokken snavellijn gaat midden door het oog. De boven en ondersnavel gelijk van formaat. Ook wat betreft de snavel is er al veel bereikt. De snavelbelijning sluit van alle kanten ononderbroken aan op de kop- en wratbelijning. De wensen kunnen zijn: meer snavelsubstantie, ondersnavel sterker, beter gesloten snavel. Fouten als te zwak, scheef, te spits, te open, te rechte of een geheel gebogen snavel komen al niet meer aan 93 punten (ZG). Ten onrechte wordt nog wel eens een wat sterker gebogen snavel als laagzichtig bestempeld, hier is pas sprake van als de snavellijn niet door, maar boven het midden van het oog gaat lopen.

 

           

               Ideaal                         Spitse snavel                    Zware ondersnavel              Verhoogde snavelrug

 

Wrat

De wrat is het onderdeel waar de nodige aandacht aan moet worden besteed omdat hier de hoogste eisen aan gesteld worden. Gevraagd wordt een fijne, lange, goed ingebouwde, krijtwit gepoederde neuswrat, die een zwakke hartvormige inkeping moet laten zien. De wrat moet op de snavelrug gesloten zijn. Opvallend is dat men blijft vasthouden aan twee mogelijkheden voor wat betreft de ideale wrat. Een geheel gesloten wrat en 1 waarbij een deling tot aan de snavelrug is toegestaan. Dat men aan het laatste vasthoudt heeft als reden dat het een natuurlijke eigenschap is die men wil handhaven, om niet in conflict te komen met de regels die in Duitsland gelden met betrekking tot het dierenwelzijn. Een totaal gedeelde wrat wordt dus als fout aangemerkt.

 

           

              Ideale wrat                      Ideale wrat                       Mist inkeping                     U-vormige inkeping

 

De lengte van de wrat wordt bepaald door de plaats waar hij begint en dat is bij de snavelhoek, doorlopend tot op de snavelrug, waarbij het van groot belang is dat de wrat bij de snavelpunt goed doorpoederd moet zijn, het komt voor dat dit niet helemaal correct is, dit doet ook afbreuk aan het lengtebeeld. De wrat heeft aan de bovenzijde een flauwe hartvormige inkeping die zeker niet te diep mag zijn, ook de vleugelvorm en U-vorm is niet gewenst. Zoals gezegd moet de wrat naar de snavelpunt toe goed doorpoederd zijn,verdere opmerkingen over het uiteinde van de wrat kunnen zijn resp. iets inkeping en iets uitstulping (links en rechts). Ook een verhoogde snavelrug komt voor, daarbij wordt veelal de opmerking 3e wrat gemaakt, dit zou beter vervangen kunnen worden door verhoogde snavelrug, er wordt immers bij een 3e wrat de indruk gewekt dat de wrat uit 2 delen bestaat.

Zijdelings moet de wrat ononderbroken doorlopen in de kop- en snavelbelijning.

Niet geheel terecht wordt de wrat die zijdelings niet helemaal goed is ingebouwd, wat als wens wordt beschouwd, nog wel eens met blazig bestempeld. Blazig is echter een fout waarbij de wrat duidelijk een geronde vorm heeft en op die manier buiten de kopbelijning treedt.

 

                

 

                 Inkeping te diep              Vleugelwrat                       Blazige wrat                    Zijdelings uitstaand

 

                

                  Gedeelde wrat             Inkeping bij snavelpunt                    Uitsteeksels bij snavelpunt

  

Aan de onderzijde van de wrat bij de snavelpunt komt heel af en toe resp. een ongewenste inkeping en uitsteeksels links en rechts voor.

De structuur van de wrat moet fijn zijn, dit kan men bevorderen door een goede verzorging cq conditionering, dit moet echter op het juiste tijdstip plaats vinden. Is dit niet het geval dan is de bepoedering wat minder, hier kan men dan een opmerking over maken. Een structureel ruwe wrat bv. ribbels en/of een uitgestulpte bovenrand kan men niet zodanig conditioneren dat de duif weer tentoonstellingswaardig is. Duiven met dergelijke afwijkingen worden teruggezet in puntental. Jonge doffers met een aanzet voor uitgestulpte wratten kan men een punt in mindering brengen. Wat de aanzet betreft bedoelen we dat bij goede beschouwing de aanzet in bovenaanzicht wel zichtbaar is maar niet daadwerkelijk de kopbelijning verstoord. Voor overjarige doffers mag men bij een dergelijke aanzet coulant zijn, immers oude doffers met een correcte kopbelijning zijn zeer waardevol. Bij duivinnen komen in principe geen uitgestulpte bovenranden voor, is dit wel het geval kan men dit zwaar bestraffen, het kan ook zijn dat er een doffer in de kooi zit in plaats van een duivin, dit is dan op zich weer laakbaar als dat bewust gebeurd.

 

Oog

Gevraagd wordt een intensief donkerrode iris, witte hebben een donkere iris, bonte afhankelijk van de kleurverdeling een donkere of een donkerrode iris.

Wensen kunnen zijn: iris nog roder, om de pupil beter doorgekleurd.

Fouten zijn: anderskleurige ogen, gele ring om de pupil, een verschillende oogkleur bij bont, gekleurd oog bij wit.

 

Oogrand

De oogrand is rond, smal, fijn en gelijkmatig ontwikkeld. De kleur gaat van lichtgrijs tot bijna wit al naar gelang het kleurenbeeld. Ook de donkere kleuren hebben dus lichtgrijze oogranden. Wensen kunnen zijn: ronder, lichter, fijner, gelijkmatiger. Fouten zijn: ovaal of hoekig van vorm , grof en een donkere, rode of gele aanslag.

 

Bevedering

Een goed ontwikkelde, gladde en strak aanliggende bevedering. Hier worden ook hoge eisen aan gesteld. De halsbevedering moet strak en glad en draagt in hoge mate bij aan een elegante halsbelijning.

De vleugels, met brede slagpennen, worden strak aanliggend tegen het lichaam en op de staart gedragen, de rug wordt goed afgedekt., korte rugafdekkingsveren moeten worden bestraft. De staart heeft 12 staartpennen, is smal en gesloten, een duimbreedte langer dan de vleugelpennen. De totale lengte van de duif wordt bepaald door het lichaam, vleugels en staart en moet in evenwichtige verhouding zijn met de totale hoogte.

De staart op zich korter te wensen als de duimbreedte, die hij voorbij steekt aan de vleugelpennen, is niet aan de orde en is ook geen streven, een langere staart leidt tot puntenaftrek. Let wel een staart kan soms langer lijken als de slagpennen nog niet geheel doorgeruid zijn.

De oograndbevedering moet beslist aan de oogrand aansluiten, ook bij de lichtere kleurslagen waar dit minder opvallend is. Heel iets los aan de onderzijde komt het meeste voor, wordt nogal eens over het hoofd gezien, dit geeft een punt in mindering. Net als bij de rugafdekking moet men dit uiteraard goed beoordelen, voordat men de duif uit de kooi neemt, daarna hersteld zich dit vaak pas nadat de duif weer tot rust is gekomen in de kooi. Ook ten aanzien van het aanwezig zijn van een borstnaad of aanzet chabot kan dit het geval zijn.

De benen zijn glad bevederd tot op het enkelgewricht, verder onbevederd.

Voor toekenning van het hoogste puntental moet de gehele bevedering uiteraard strak, glad en aanliggend zijn.

 

Kleur en tekening

Alle kleuren moeten zuiver en gelijkmatig zijn. In Nederland hebben we over het algemeen te doen met de bekende postduivenkleuren. Het komt nog wel eens voor dat er teveel waarde wordt gehecht aan de kleur bij het keuren van Duitse Schoonheidspostduiven, het is slechts een marginaal onderdeel bij de beoordeling. Alleen bij afwijkingen heeft het zin om hieraan aandacht te geven.

 

Afwijkingen die het puntental kunnen beïnvloeden zijn bij de gebande kleurslagen aanzet 3e band, onregelmatige banden en een gewolkte schildkleur. Bij blauw komt sporadisch een lichter gekleurde rug voor, en soms wat witte bevedering bij de benen (sokken). Bij de doffers rood- en geelzilver is een blauwe waas niet gewenst, bij de duivinnen wordt een blauwe waas getolereerd inherent aan de kleurslag. Bij dominant rood en geel loopt de buikkleur wat terug, de slagpennen en staart zijn lichter van kleur. Bij de voor Duitse Schoonheidspostduiven specifieke kleur donker, hoort de hier en daar zichtbare roodfactor, dat is dus geen reden voor puntenaftrek, ook geldt dit voor de kleur in de buik die terugloopt, de staart is daarbij blauw met zwarte staartband. Kleurspatten bij fokonzuivere doffers in rood dominant en rood- en geelzilver mogen niet al te veel opvallen.

Zwart wordt egaal van kleur gevraagd, zonder glans, zichtbare bandtekening in het schild en in de staart wijst op een mindere, vaak grijszwarte kleur, dan pas hoeft er een aanmerking op de kleur gemaakt worden.

Bont is toegestaan in alle erkende kleuren samen met wit, schimmel en getijgerd komen niet voor in bonte uitvoering. Het tekeningbeeld in gevlekte uitvoering, bij voorkeur tussen de 30 en 70 %. Een duif met alleen witte slagpennen en een enkel witte vlek aan de kop is geen bont, zijn er meer witte veervelden zoals een witte buik en staart komt het al gauw in de buurt van 30 %, bij twijfel dan hooguit een opmerking kleurverdeling kan wat beter. Andersom geldt dit ook voor een witte duif met een gekleurde staart, een enkele vleugelvlek en wat kleur aan de kop.

 

Conditie

Het spreekt voor zich dat de conditie van een Duitse Schoonheidspostduif ten alle tijde optimaal hoort te zijn, een schoonheid waardig.